vrijdag, april 21, 2006

Tentamenweek zit er weer op

De tentamenweek zit er weer op.... gelukkig! Dagen van leren, stressen: bloed, zweet & tranen ;-)
Nu hopen dat ik alles heb gehaald. Even twee dagen lekker uitrusten en dan de komende 10 weken stage lopen. Druk, druk, druk!

vrijdag, april 07, 2006

Verbale ontwikkelingsdyspraxie // Paper #1

Dyspraxie is een neurogene articulatiestoornis. Dyspraxie en apraxie van de spraak worden vaak door elkaar gebruikt, alhoewel er wel een verschil in betekenis is tussen beide termen. Bij apraxie wijst de a- op het totaal ontbreken van de spraak en bij dyspraxie verwijst dys- naar een graad van onvermogen in de spraak (Elen, 2004). Dyspraxie kan bij zowel volwassenen als kinderen voorkomen. Bij kinderen wordt dyspraxie of apraxie van de spraak betiteld als Developmental Apraxia of Speech (DAS), Developmental Verbal Dyspraxia (DVD), Developmental Articulatory Dyspraxia (DAD) of verbale ontwikkelingsdyspraxie (VOD) (A. Ozanne, 1995). Kinderen met verbale ontwikkelingsdyspraxie beschikken over de neuromusculaire capaciteit spraakklanken te produceren, maar hebben een probleem met de motorische planning. (Elen, 2004). Er bestaat een onvermogen om de spraakmusculatuur te programmeren voor de bewuste productie van fonemen, woorden en/of zinnen. Van verbale ontwikkelingsdyspraxie is alleen sprake als het kind uitval heeft op de volgende drie gebieden: problemen met de fonologische planning, problemen met de fonetische planning en problemen met het motorische spraakprogramma (Ozanne, 1995).

Kenmerkende symptomen van verbale ontwikkelingsdyspraxie, die uit de anamnese kunnen worden gehaald, zijn: problemen met de voeding, weinig vocaal spel, weinig brabbelen, weinig imitatie tijdens baby/peutertijd, in de familie komen communicatie stoornissen voor, in de familie komen lees- en schrijfstoornissen voor, een vertraagd taalbegin, een geleerd woord wordt slechts één keer gebruikt, moeizame coördinatie van grove/fijne motoriek, lichaamsdyspraxie/stoornis in lichaamsbewustzijn, lichte neurologische symptomen en trage vooruitgang in de therapie. Uit het standaard spraak interview kunnen de volgende kenmerkende symptomen worden gehaald: afwijkende spraakontwikkeling, klinker fouten, meer omissies dan andere spraakfouten, inconsistente fouten, toename van fouten bij complexere spreektaak, metathesis, onmogelijk om een syllabe als geheel intact te houden, fouten rond stemhebbendheid, veel fouten binnen één woord, moeite met articulatorisch complexe klanken, moeilijkheden met opeenvolging van fonemen, epenthesis, moeilijkheden met meerlettergrepige woorden en een gereduceerd foneemrepertoire. Als via standaard spraakonderzoek verschillende van bovenstaande kenmerken zijn opgespoord, moet er nader onderzoek komen.

Uit specifieke onderzoekstaken kunnen de volgende kenmerkende symptomen worden gehaald: dyspraxie voor geïsoleerde en/of reeksen oraal motorische bewegingen, stoornissen in de orale perceptie, een gat in de expressieve en receptieve taal, woordvindingsproblemen, syntactische fouten, begrip in overeenstemming met cognitieve vaardigheden, moeilijkheden met lange verbale instructies, trage diadochokinese en problemen met de opeenvolging in diadochokinese taken. En ten slotte zijn uit observaties de volgende kenmerken te halen: inconsistente orale/nasale resonantie, nasale emissie, vlakke beklemtoning, en/of traag spreektempo, gebrekkige ‘self-monitoring’, variërende prestaties tussen en binnen de sessies, trial & error, zoekende articulatiebewegingen, stille positionering van articulatiestand, verlengingen en herhalingen (Ozanne, 1995).

Kernsymptomen van verbale ontwikkelingsdyspraxie, volgens de auteurs van het Dyspraxieprogramma (1993) zijn: moeite met het sturen van de articulatiebewegingen; zoekende bewegingen, beperkte tongmotoriek, zwakke en onduidelijk vormgegeven articulatie, algemene mondmotoriek moeizaam in uitvoering, moeite met productie van fricatieven, moeite met geïsoleerde consonanten, meeste fouten bij de clusters, toename van fouten bij toename van de lengte van woorden, inconsistent foutenpatroon en onverstaanbaarheid van de spraak. Naast de kernsymptomen, zijn er nog heel veel andere symptomen die per dyspractisch kind verschillen.

Differentiaal diagnostiek bij verbale ontwikkelingsdyspraxie
De diagnostiek van verbale ontwikkelingsdyspraxie is complex, met name door de verwevenheid met het taalontwikkelingsproces en de verscheidenheid aan symptomen. Daarnaast wordt verbale dyspraxie gevonden bij allerlei typen van ontwikkelingsstoornissen, wat een duidelijk zicht op de verbale dyspraxie kan belemmeren (Eurlings-van Deurse e.a., 1993). Een ander punt dat het stellen van de differentiaal diagnose moeilijk maakt is dat verbale ontwikkelingsdyspraxie een stoornis is die zich ontwikkelt en met de tijd verandert (developmental). De symptomen kunnen veranderen naar mate het kind ouder wordt en ook kan het aantal verschillende symptomen toenemen of juist afnemen (Ozanne, 1995). Kernpunt voor de diagnostiek is: kinderen met verbale ontwikkelingsdyspraxie verschillen onderling sterk in de verschijnselen die ze hebben en in de moeilijkheden die ze daarbij ondervinden (Eurlings-van Deurse e.a., 1993).

Het komt geregeld voor dat verbale ontwikkelingsdyspraxie wordt verward met een afasie, dysartrie, een fonologische stoornis of fonetische stoornis. Een verkeerde diagnose leidt tot een verkeerde therapie en daar is niemand bij gebaat. Het is dus belangrijk dat er goed onderzoek wordt gedaan, zodat de juiste diagnose kan worden gesteld (Stes, 2003).

donderdag, maart 23, 2006

Bril om beter te horen op de markt

Luisteren in de richting waarin je kijkt. Dat kan met de hoorbril, die na jarenlang onderzoek aan onder meer de TU Delft vanaf half april in de winkel ligt. De fabrikant van de Varibel maakte dat woensdag bekend.

Bestaande gehoorapparaten versterken al het geluid dat het oor van een slechthorende bereikt, de hoorbril versterkt alleen geluiden uit de richting die de drager uitkijkt. Zo kan de slechthorende in een lawaaiige omgeving gemakkelijker een gesprek voeren. Volgens cijfers van het VU Medisch Centrum in Amsterdam zijn ongeveer 1.250.000 mensen ouder dan zestig jaar slechthorend. Ruim een op de vijf heeft een hoortoestel.

In elke poot van de hoorbril zitten vier microfoontjes, die het geluid omzetten in elektrische signalen. De combinatie van deze vier signalen levert informatie over de richting waar het geluid vandaan komt. Een chip zorgt ervoor dat geluid dat van opzij en van achter weggedrukt wordt en geluid dat van voren komt, wordt versterkt. Omdat er aparte signalen zijn voor het linker- en rechteroor, kan de hoorbrildrager ook nog vaststellen waar het geluid vandaan komt. Met een gewoon hoortoestel kan dit niet.

Uit de SP!TS van donderdag 23 maart 2006

woensdag, maart 15, 2006

Logopedie helpt bij Parkinson

Logopedie kan de slik- en spraakproblemen van patiënten met de ziekte van Parkinson of andere spierziekten aanzienlijk verbeteren. Maar omdat veel huisartsen en specialisten dat niet weten, wordt de therapie veel te weinig toegepast. Dat stelt taal-spraakpatholoog B. de Swart, die volgende week donderdag aan de Radboud Universiteit in Nijmegen promoveert op een onderzoek naar spraaktherapie bij patiënten met spieraandoeningen. Ongecontroleerde spierbewegingen zorgen voor verslikken, aldus de promovendus. Veel verslikken kan weer leiden tot longontsteking en ondervoeding.

Uit de SP!TS van woensdag 15 maart 2006

vrijdag, maart 03, 2006

Internet

Ik zal binnenkort weer wat info plaatsen, ik heb namelijk een tijd zonder internet gezeten. En dat was erg vervelend! Je merkt pas hoe afhankelijk je bent, als je het tijdelijk zonder moet stellen. Maar ja... I'm back ;-)

zondag, februari 19, 2006

Tentamens gehaald

Ik heb beide tentamens gehaald. Tijd voor een feestje ;-)


vrijdag, februari 10, 2006

Reinke's Oedeem en Stemplooipoliepen

Reinke's oedeem
Oedeem = abnormale opeenhoping van vocht .

Reinke’s Oedeem = een bijzondere vorm van chronische laryngitis waarbij er een vochtophoping ontstaat in de ruimte van Reinke.

- Chronische laryngitis = aanhoudende ontsteking van het larynxslijmvlies ten gevolge van voortdurende traumatische invloeden van stemmisbruik en verkeerd stemgebruik.

Ruimte van Reinke = het subepitheliale deel van de lamina propria.

- Lamina propria = bindweefsellaag. Van de stemplooien: bindweefsellaag die bestaat uit het ligamentum vocale en de ruimte van Reinke. Deze bindweefsellaag is zeer belangrijk voor de stemgeving, omdat zij het slijmvliestrillingspatrooon mogelijk maakt.
- Epitheel = huid of vlies dat de binnenkant van een hol orgaan bedekt.

Reinke Oedeem is een vochtophoping in de ruimte van Reinke, de weefselspleet tussen de stemplooi en het epitheel. Het komt meestal symmetrisch aan beide zijden voor. In de meeste gevallen is roken een belangrijke factor (slechte stemhygiëne). Ook een chronische overbelasting of acute laryngitis kan tot stembandoedeem leiden. De stem klinkt schor en door de extra massa van de stembanden ligt de toonhoogte vaak op 80 Hz of lager, wat een grof, korrelig stemgeluid geeft.

Reinke’s oedeem is goedaardig en komt meestal voor bij volwassenen (vrouwen) op middelbare leeftijd. Reinke’s oedeem kan zich ontwikkelen tot een poliep als het zich concentreert op een plaats. Reinke's oedeem verdwijnt vaak niet spontaan. Na een operatieve ingreep is stemrust van groot belang. Logopedische therapie kan nodig zijn wanneer Reinke's oedeem is ontstaan door factoren die een slechte invloed hebben op de stem en de stemplooien, zoals een slechte stemhygiëne of verkeerd stemgebruik.

Stemplooi poliep
Polyposis laryngis = meestal unilaterale slijmvliesuitstulping in de subepitheliale laag van de stemplooi. De aangedane stemband neemt toe in massa, waardoor de trillingsfrequentie daalt.

Een stembandpoliep is een goedaardig gezwel op de stembanden. Meestal heeft maar 1 stemband poliep(en). De oorzaak van een stembandpoliep is onbekend. Meestal beginnen de problemen met een vochtophoping aan de stembanden ook wel het oedeem van Reinke genoemd. Pas na verloop van tijd zal zich daar een poliep gaan vormen. Stemplooipoliepen komen vaker bij mannen voor dan bij vrouwen.

De symptomen hebben te maken met de plaats en de grootte van de poliep. Meestal is er sprake van een hese stem omdat de stembanden zich niet goed kunnen sluiten. De stem klinkt dof, laag en schor. Soms treed ook tweetonigheid op (diplofonie). Ook kan het erop lijken alsof iemand ‘’de baard in zijn keel heeft”. De stem kan wegvallen of iemand heeft problemen met ademhalen. Dit komt pas voor als de poliep erg groot is geworden. Enkele oorzaken voor het ontstaan van poliepen zijn: roken, letsel aan de stemplooien/op een verkeerde manier de stembanden gebruiken (slechte stemhygiene; schreewen etc), veel alcoholconsumptie etc.

De KNO arts kan de poliepen vaststellen doordat hij met een laryngoscoop (soort spiegel) naar de stembanden kijkt. Poliepen worden meestal operatief weggehaald. Daarna volgt stemtherapie door de logopedist. Het nemen van stemrust is ook erg belangrijk. Tijdens de stemtherapie wordt geprobeerd iemand zijn stem anders te laten gebruiken. De therapie duurt meestal 2 tot 6 maanden.



Literatuur:

Bogeart, van L.J.M. (2000). Nederlands Logopedisch Lexicon. Stichting Logopedie Fonds.

Stes, R. (2003). Stemstoornissen. Leuven / Leusden: Acco.

Eldar, A.M. e.a. (2003). Spreken en Zingen. Assen: Koninklijke Van Gorcum.

zondag, januari 22, 2006

Tentamens

Ik ben weer hard aan het leren voor de tentamens van volgende week. Leren, leren, leren en veel stressen! De komende dagen zal er dus niet veel veranderen op m'n weblog. Zodra de tentamens achter de rug zijn, zal ik hier weer nieuwe dingen plaatsten. Nog even geduld dus ;-)
Wish Me Luck !

zaterdag, januari 14, 2006

Het oor en slechthorendheid

Het oor

Het oor is onder te verdelen in 3 stukken; het uitwendig oor (buitenoor), het middenoor, en het binnenoor. Tezamen wordt dit ook wel het perifere gehoor genoemd.

Het uitwendige oor (buitenoor)
Het uitwendige oor of buitenoor omvat de oorschelp en de gehoorgang, die loopt tot aan het trommelvlies. De oorschelp bestaat uit kraakbeen, bedekt met een laagje huid. De oorschelp helpt bij het richtinghoren. Het buitenste deel van de gehoorgang bestaat uit kraakbeen, terwijl het binnenste deel van de gehoorgang bestaat uit hard bot. Beiden zijn bekleed met huid. De gehoorgang is ongeveer 2,5 cm lang en heeft een S-vorm en loopt iets omhoog. In het buitenste gedeelte van de gehoorgang bevinden zich haartjes. Hier bevinden zich ook een aantal kliertjes die oorsmeer (cerumen) afscheiden. Het oorsmeer bindt stof en vuil aan zich dat samen met het oorsmeer door de haartjes naar buiten wordt gebracht.

Het middenoor
Het middenoor bevindt zich tussen het trommelvlies aan de buitenkant en het ovale venster meer hoofdinwaarts. De luchtdrukverschillen drukken het trommelvlies beurtelings naar binnen en zuigen het naar buiten. Via drie kleine botjes (hamer/malleus, aambeeld/incus en stijgbeugel/stapes) wordt de beweging van het trommelvlies doorgegeven aan het ovale venster.

De holte waarin de gehoorbeentjes liggen wordt ook wel de trommelholte genoemd en is met lucht gevuld. Deze holte staat door middel van de buis van Eustachius in verbinding met de buitenlucht. Het middenoor, waarin de hamer, het aambeeld en de stijgbeugel zich bevinden, moet er nu voor zorgen dat dit geluid zonder al te veel verlies van energie omgezet wordt in een trilling van de vloeistof in het slakkenhuis (de cochlea). Omdat het ovale venster een veel kleiner oppervlak heeft dan het trommelvlies en omdat de botjes als hefboom werken, worden de zwakke bewegingen van het trommelvlies mechanisch versterkt. De botjes kunnen in hun bewegingen geremd worden door kleine spiertjes die reflexmatig worden aangespannen wanneer het oor getroffen wordt door heel luide, lage trillingen. Na bijvoorbeeld een hardrockconcert blijven we enige tijd hardhorend omdat deze zelfbeschermingsreflex zich niet meteen ontspant. Helaas komt deze reflex te laat op gang om ook gehoorbeschadiging als gevolg van explosies te voorkomen.

Het binnenoor
Het binnenoor is voor de waarneming van de spraak het belangrijkste gedeelte van het perifere gehoor. Hier worden die fysieke geluidstrillingen omgezet in elektrische trillingen voor verdere verwerking in het centrale gehoor (in de hersenen).

Het binnenoor wordt ook wel het slakkenhuis (cochlea) genoemd. Het is aan de bovenzijde getooid met drie half-cirkelvormige buizen. Hierin bevindt zich ons evenwichtsorgaan, dat bij het horen verder geen functie heeft. Het slakkenhuis is een buis van ongeveer 35mm, die bij het ovale venster smal en dik is en naar binnen breed uitloopt, maar steeds dunner wordt. Het slakkenhuis is gevuld met een waterachtige vloeistof (perilymfe) en wordt over de totale lengte horizontaal in tweeën gedeeld door het basilair membraan. Het basilair membraan is aan de basis dik en stijf, maar wordt naar het uiteinde toe dunner en soepeler. Het membraan loopt echter niet helemaal tot de spits, zodat de bovenste kamer van het slakkenhuis in open verbinding staat met de onderste. De vloeistof in het slakkenhuis zit opgesloten tussen twee vliezen; het ovale venster aan de basis en het ronde venster aan het uiteinde. De bewegingen van het ovale venster zetten zich als drukgolven voort in de vloeistof van het binnenoor, zowel in de onderste als bovenste kamer. Het basilair membraan deint mee. Hierdoor komen de hele fijne haarcellen in beweging. De haarcellen geven dan een zenuwinpuls af (via de zenuwvezels die in de centrale gehoorzenuw gebundeld zijn) naar de hersenen en blijft dat doen tot de deining ophoudt.

Snelle trillingen (hoge frequenties) leiden tot stimulering van het basilair membraan in de buurt van de (dikkere en stijve) basis. Langzame trillingen (lage frequenties) stimuleren het basilair membraan meer naar het dunne, flexibele uiteinde toe. Sterkere, intensere geluidsstimulering leidt tot een deining over een groter stuk van het basilair membraan.



Slechthorendheid

Veel mensen hebben in meer of mindere mate last van een verminderd gehoorvermogen. Dit kan mensen (ernstig) beperken in hun dagelijkse bezigheden. In veel gevallen is het gehoor dermate achteruitgegaan dat mensen moeite hebben met het volgen van gesprekken. Dit is niet alleen vervelend voor de persoon zelf, maar ook voor mensen in de omgeving.

Slechthorendheid kan verschillende oorzaken hebben. Zo kan het gehoor verminderen door overdadige blootstelling aan te veel lawaai, door bepaalde medicijnen of door een ziekte van het gehoororgaan. Het gehoor wordt natuurlijk ook minder, naarmate men ouder wordt (ouderdomsslechthorendheid of presbyacusis). Ook kan slechthorendheid zich op jongere leeftijd voordoen, bij jonge kinderen of pasgeborenen. Bij slechthorendheid kan erfelijkheid een rol spelen.

Vaak ontstaat slechthorendheid heel geleidelijk, waardoor de persoon in kwestie er in het begin niet zo veel van merkt. Zachte geluiden in de omgeving worden steeds zachter waargenomen totdat ze nauwelijks of niet meer worden gehoord. Vervolgens worden ook bepaalde klanken (zoals bijv. de m,n,b) niet meer goed gehoord. Op dat moment begint de slechthorendheid een probleem te worden. Meestal merken mensen in de naaste omgeving het verminderde gehoor het eerste op. Ze moeten zichzelf vaker herhalen, moeten harder spreken of storen zich eraan dat de radio of tv steeds harder wordt gezet. Op een gegeven moment wordt ook telefoneren lastiger, muziek wordt minder goed gehoord, het voeren van gesprekken wordt moeilijker en buiten ontstaan verwarrende situaties omdat het achtergrondlawaai de communicatie verhindert of doordat bepaalde geluiden op straat niet meer worden waargenomen. Slechthorendheid kan ook van de een op de andere dag ontstaan en ook kan de slechthorendheid gepaard gaan met oorsuizen (tinnitus), wat een extra belasting vormt.

Het is belangrijk dat mensen die vermoeden dat hun gehoor slechter wordt (of is geworden) om een gehoortest vragen. Uit onderzoek is gebleken dat wanneer de slechthorende persoon te lang wacht, dit grote invloed heeft op de sociale en emotionele toestand. Vooral oudere mensen worden angstiger, worden depressief of neerslachtig, maken zich zorgen of worden sociaal minder actief.

Indeling
Slechthorendheid kan aangeboren zijn of verworven. Daarnaast kan de slechthorendheid erfelijk zijn of niet-erfelijk. Ook is er de verdeling in perceptief verlies of geleidingsverlies.

Globaal gezien zijn er 5 categorieën waarin de slechthorendheid kan worden ingedeeld:
1. Geleidings- (of conductief) gehoorverlies
2. Perceptief gehoorverlies
3. Gemengd gehoorverlies
4. Functioneel gehoorverlies
5. Centraal gehoorverlies

Daarnaast is er ook doofheid. Bij doofheid is er sprake van een zeer groot gehoorverlies en het communiceren via gesproken taal is dan (bijna) onmogelijk. Slechthorenden kunnen dit nog wel, na geluidsversterking, in combinatie met lipbeelden en gebaren. Dove mensen zullen echter voor gebaren kiezen of voor Gebarentaal (zonder te spreken).

Soorten gehoorverlies
1. Geleidings- (of conductief) gehoorverlies
Er is sprake van een storing in de overdracht (geleiding) van het geluid via de gehoorgang en de gehoorbeentjes in het middenoor naar het binnenoor. Dit kan bijvoorbeeld komen door een afsluiting van de gehoorgang door oorwas (cerumen) of een onderbreking van de gehoorbeentjes door een ongeval of chronische middenoorontsteking. Een bijzondere vorm van een geleidingsslechthorendheid is de aandoening otosclerose, waarbij de stijgbeugel (stapes) gefixeerd raakt. Trillingen kunnen dan in sterk verminderde mate aan het binnenoor worden doorgegeven.

2. Perceptief gehoorverlies
Er is een storing in de verwerking van de trillingen op het niveau van de zintuigcellen in de cochlea (slakkenhuis) en/of in het transport van de elektrochemische impulsen vanaf de haarcellen naar de akoestische hersenschors. Een perceptief gehoorverlies kan worden veroorzaakt door een pathologie in de cochlea ('cochleair gehoorverlies'), maar ook door een pathologie in 'hogere' gehoorcentra ('retrocochleair gehoorverlies'). Voorbeelden van een perceptief gehoorverlies zijn: de meeste vormen van aangeboren slechthorenheid, ouderdomsslechthorendheid, lawaaibeschadiging, gehoorverlies door intoxicatie en plotsdoofheid. Een gehoorverlies wat veroorzaakt wordt doordat een tumor in de hersenstam druk uitoefent op de gehoorzenuw is een voorbeeld van een retrocochleair (perceptief) gehoorverlies.

3. Gemengd gehoorverlies
Er is zowel een stoornis in de voortgeleiding van het geluid als in de verwerking van het geluid. Vaak gaat het dan om het resultaat van chronische middenoorinfecties, al dan niet in samenhang met middenooroperaties.

4. Functioneel gehoorverlies
Bij een functioneel gehoorverlies kan de onderzoeker met zijn/haar audiometrische testbatterij geen gehoorverlies aantonen, terwijl de patiënt toch last heeft van een vermindering van het gehoor. Vaak ligt er een emotionele of psychische oorzaak aan deze vorm van gehoorverlies ten grondslag. Aan een psychogeen gehoorverlies, zou een stoornis in de verwerking van de geluidsimpulsen (blokkade) in de akoestische hersenschors ten grondslag liggen.

5. Centraal gehoorverlies
Hierbij gaat het om een aandoening van het centrale zenuwstelsel. De interpretatie van het geluid is verstoord.

Voor meer informatie:

vrijdag, december 23, 2005

Fijne kerst !



De tijd van kaarslicht en van dennengeur
Van pakjes onder de boom
Een krans aan de deur
De tijd van huiselijke warmte. Buiten is het fris
Dat kan maar een ding betekenen; Het is Kerstmis!

woensdag, december 14, 2005

Weinig geschreven

Ik heb alweer een tijd niets geschreven, omdat ik het erg druk heb. Binnenkort zal ik hier weer wat nieuwe informatie neerzetten!

zondag, november 27, 2005

Kinderen met een schisis

Ongeveer twee op de duizend baby’s wordt geboren met een schisis. Kinderen met een schisis hebben te maken met problemen op allerlei gebieden. Deze paper is bedoeld om logopediestudenten informatie te geven over deze aangeboren afwijking. De paper geeft eerst wat algemene informatie over schisis en eindig met een stukje over hoe de logopedist kinderen met een schisis kan helpen op het gebied van hun spraak en taal.

Een schisis
Bij sommige baby’s sluit zich de bovenlip, de bovenkaak of het gehemelte niet helemaal, waardoor het kind wordt geboren met een spleet in de lip, kaak en/of gehemelte. Soms komen daarbij nog andere spleten in het gezicht voor. Deze aangeboren afwijking heet schisis. Het woord ‘schisis’ komt uit het Grieks en betekent spleet. Schisis wordt ook wel aangeduid met ‘hazenlip’ (Welle Donker-Gimbrere e.a., 2000).

Een spleet in de lip, kaak en/of gehemelte kan enkelzijdig (links of rechts van het midden) of dubbelzijdig voorkomen. Bij sommige kinderen functioneert het gehemelte niet goed doordat de gehemeltespieren of de zenuwen die deze spieren van impulsen voorzien niet goed zijn aangegroeid. De afwijking komt vaker voor bij jongens dan bij meisjes (Mieke Pronk-Boerma, 2003).

Het ontstaan van een schisis
De bouw van het gezicht en het gehemelte vindt in ongeveer de eerste drie maanden van de zwangerschap plaats. Als deze ontwikkeling verstoord wordt, kan een schisis ontstaan. De oorzaak van een schisis is nog niet geheel duidelijk. Erfelijkheid speelt meestal een rol, maar ook factoren van buitenaf kunnen invloed hebben op het groeiende embryo, zoals bijvoorbeeld voedingsstoornissen of een ziekte van de moeder tijdens de eerste drie maanden van de zwangerschap (Mieke Pronk-Boerma, 2003).

De ontwikkeling van een kind met een schisis
In principe doorlopen kinderen met een schisis alle ontwikkelingsfasen op dezelfde wijze als kinderen die gezond worden geboren. Als er naast de schisis nog andere afwijkingen zijn kan het ontwikkelingsverloop wel trager zijn. Hoewel een kind met schisis dus alle ontwikkelingsfasen op dezelfde wijze doorloopt, kunnen er wel allerlei moeilijkheden voorkomen.

Ten eerste zijn er de psychosociale aspecten. De eerste reactie van ouders op het kind is vaak schrik, angst voor reacties van de buitenwereld, schuldgevoelens of schaamte en soms zelfs afkeer van het kind. Als de ouders hun gevoelens niet goed kunnen verwerken, kunnen ze geneigd zijn een overbeschermende, verwennende of een onzekere of afwijzende houding tegen het kind aan te nemen. Ouders praten ook vaak minder tegen hun kind wat nadelig is voor de taalontwikkeling. Het is van groot belang dat de ouders hun kind accepteren. Het kind moet zich zo normaal mogelijk voelen en ook normaal behandeld worden. Het kind kan erg onzeker worden van reacties van zijn omgeving, waardoor het zich emotioneel minder goed ontwikkelt en anders gaat gedragen. Als het kind zich niet geaccepteerd voelt kan het een negatief zelfbeeld ontwikkelen. Het is dus belangrijk dat er normaal met schisiskinderen wordt omgegaan.

Ten tweede hebben sommige kinderen met een schisis problemen met de voeding. Meestal kan een kind met een lipspleet of lip-kaakspleet gewoon borstvoeding en flesvoeding krijgen. Het voordeel hiervan is dat het krachtige zuigen de kaakontwikkeling bevordert. Bij kinderen met een gespleten gehemelte zijn er vaker problemen met de voeding. Het gehemelte staat in open verbinding met de neusholte wardoor de nodige zuigkracht niet wordt ontwikkeld en een kind zich snel verslikt. Borstvoeding is mogelijk als het gehemelte wordt afgesloten met een plaatje en er wordt soms ook wel eens gebruik gemaakt van een extra lange speen. Het nadeel van deze speen is echter dat de tong te ver achter in de mond komt te liggen, waardoor de spraakontwikkeling niet normaal verloopt. Het kind gaat meer achter in de mond articuleren, waardoor de mond te passief blijft en dat heeft weer gevolgen voor de kaakontwikkeling en de mondmotoriek(Mieke Pronk-Boerma, 2003).

Een kind met een gehemeltespleet heeft meer kans op keel-, neus- en oorziekten dan een kind met een normaal gehemelte. Door het abnormale verloop van de spieren die de buis van Eustachius, waardoor lucht naar het middenoor gaat, openen, functioneert deze minder goed. De kans op te weinig lucht in het middenoor, op vocht in het middenoor en op oorontsteking is toegenomen, net als de kans op slechthorendheid. Door een afwijkende bouw van de neus (de neusbodem wordt gevormd door het gehemelte) heeft een kind met een gehemeltespleet meer moeite met neusademhaling en heeft het meer kans op verkoudheden. (Welle Donker-Gimbrere e.a., 2000). Slechthorendheid kan leiden tot taalproblemen; wat je niet hoort kun je niet gebruiken om het systeem van taal op te bouwen. Een kind moet voldoende taalaanbod krijgen: door zich terug te trekken uit de sociale omgeving, krijgt een kind minder taal aangeboden. Onvoldoende taalbeheersing vermindert de mogelijkheid om zich te uiten, ook wordt het leren denken, waarvoor (inwendige) taal nodig is, bemoeilijkt

De spraak is bij veel schisiskinderen afwijkend. Articulatiefouten worden vaak gemaakt door gehoorsproblemen. Het is belangrijk dat een kind voor het vierde jaar zijn spraakproductie aanpast aan de standaardspraak, anders heeft het kind niet veel kans dat hij dit ooit nog aanleert. Een kind met schisis heeft vaak resonantieproblemen; de klank is nasaal. Dit komt doordat de neusholte meedoet bij de klankvorming. Kinderen met schisis hebben ook vaak last van neusluchtverlies. Dit is waarneembaar als een neusruis tijdens het spreken, vooral op de meer explosieve klanken. Soms zijn in plaats van ruis snurkgeluidjes hoorbaar. Het is van groot belang dat er voldoende met het kind gepraat wordt, zodat het kind genoeg taal om zich heen heeft voor een goede taalontwikkeling (Mieke Pronk-Boerma, 2003).

Ten slotte hebben kinderen met een schisis vaak gebitsproblemen, doordat tanden en kiezen scheef groeien. Voor de spraak is het belangrijk dat er snel wat wordt gedaan aan het gebit, want iemand met een afwijking aan het gebit of de kaak heeft meer kans op afwijkingen in de spraak. De meeste problemen zijn te verhelpen door behandeling van een orthodontist. Een beugel heeft echter wel een tijdelijk verslechterend effect op de spraak (Welle Donker-Gimbrere e.a., 2000).

De logopedische behandeling bij spraak- en taalproblemen bij kinderen met een schisis
In de leeftijd van 0 tot 3 jaar bestaat de logopedische begeleiding uit het adviseren van de ouders als er voedingsproblemen zijn en het adviseren hoe de spraak en de taal zijn te stimuleren en hoe spraakafwijkingen te voorkomen zijn. Een belangrijk onderdeel van het stimuleren van de spraakontwikkeling is het doen van mond- en blaasspelletjes. Met name het zuigen en blazen en het stimuleren van de lippen en de tong­punt zijn belangrijk. Het is ook van groot belang te zorgen voor voldoende stilte zodat het kind met aandacht kan luisteren naar de gesproken taal om zich heen. Het kind leert woorden uitspreken door deze te imiteren. Wanneer er een taalachterstand is moet dit als eerste behandeld worden. Vaak is dan een uitgebreid taalonderzoek noodzakelijk. Kinderen met een schisis hebben over het algemeen geen taalachterstand.
Vanaf de leeftijd van 3 tot 6 jaar kan het kind logopedisch behandeld worden, als er spraakproblemen zijn. Op die leeftijd is het duidelijk of het kind de neiging heeft moeilijke medeklinkers te vervangen (compenseren) of te spreken met nasale bijgeluiden. Wanneer het zachte gehemelte niet lang genoeg is kan een spraakverbeterende operatie plaatsvinden.

Afhankelijk van de aard van de problemen kan de behandeling bestaan uit een taalbehandeling, een articulatiebehandeling, een mondmotoriek behandeling of een combinatie hiervan. Onderdelen van de behandeling zijn: zuig- en blaasoefeningen voor het zacht gehemelte. Oefeningen voor de tongpunt en de lippen en mondsluitings oefeningen. Oefeningen voor de coördinatie mondmotoriek en de ademstroom. Oefeningen voor het produceren van allerlei geluiden, bijvoorbeeld nadoen van regen en wind, storm en zachtjes waaien. Oefeningen voor het luisteren naar klankverschillen, zoals het verschil tussen nasaal en niet-nasaal of tussen /P/ en /K/. Het aanleren van de goede tongplaatsing of tong- lipspanning bij medeklinkers in woorden. Wanneer de aangeleerde medeklinkers goed beheerst worden, kan het toepassen van de juiste uitspraak geoefend worden door te corrigeren, door veel en vaak voor te doen. Hierbij worden memoriespelletjes, praatplaten, voorleesboeken gebruikt, zowel in de behandeling als thuis. Het goed op de hoogte zijn van de spraakmogelijkheden van het kind voorkomt dat de ouders te hoge of juist te lage eisen stellen aan de spraak of de taal van het kind. Voorop staat altijd het plezier in het spreken. De methode van behandelen is daarom in spelvorm. Er wordt naar gestreefd dat het kind op de leeftijd van 6 jaar goed kan spreken.

Als een kind met schisis een afwijkend mondgedrag heeft moet dit eerst behandeld worden. Kinderen met een schisis hebben vaak een te lage tongligging, wardoor de bovenkaak minder ontwikkeld wordt. Sommige problemen zijn door logopedie moeilijk op te lossen en dan biedt een operatie de beste uitkomst (www.vumc.nl/schisis/index.html)

Conclusie
Een kind met schisis heeft problemen op allerlei gebieden, variërend van het gehoor tot het gebit en de spraak. De problemen beïnvloeden elkaar ook. Een slecht gehoor of gebit leidt automatisch tot spraakproblemen. Spraak en taalproblemen zijn goed te behandelen en de ouders zijn hierbij ook erg belangrijk. Wanneer er vroegtijdig met logopedie wordt gestart, is de kans groot dat het kind normaal en goed leert praten. Als het kind niet voor het vierde jaar zijn spraakproductie aanpast aan de standaardspraak, heeft het kind niet veel kans dat hij dit ooit nog aanleert.

Literatuur

Pronk-Boerma, M. (2003), Logopedie voor onderwijsgevenden. Soest: Nelissen

Welle Donker-Gimbrere, M., Slofstra-Bremer, C., Meulen, S.v.d., Denderen-Lubbers, M.v., Beek, B.v., Verschoor, A. (2000), Spraak- en taalproblemen bij kinderen. Van Gorcum

Internet: www.vumc.nl/schisis/index.html

dinsdag, november 15, 2005

Kinderen van 2 tot 7 jaar met stotterproblemen

Stotteren is een veel voorkomende spraakstoornis bij kinderen in de leeftijd van 2 tot 7 jaar. Het is belangrijk dat het stotteren al vroeg wordt aangepakt, omdat er anders gevestigd of chronisch stotteren kan ontstaan. Deze paper begint met een kort stukje over wat stotteren nu precies inhoudt. Verder wordt er informatie gegeven over het stotteren bij kinderen in de leeftijd van 2 tot 7 jaar en hoe een logopedist dit stotterprobleem het best kan behandelen.

Stotteren
Spreken is een complexe vaardigheid. Gedachten, ideeën of gevoelens moeten worden omgezet in taal, in woorden en zinnen. Deze taal wordt omgezet in spraakbewegingen. Vervolgens worden alle spieren die met spreken gepaard gaan geïnstrueerd, om precies de goede beweging te maken, met precies de goede snelheid en kracht en precies op het goede moment. Dit vereist een grote mate van coördinatie en timing. Het is dus niet verwonderlijk dat dit bij jonge kinderen niet altijd goed lukt

Stotteren is een spraakstoornis waarbij het vloeiende verloop van de spraakbeweging gestoord is. Klanken of lettergrepen worden herhaald of verlengd. Soms worden ze er met veel spanning uit geperst. Daarnaast kunnen bij het stotteren ook andere symptomen voorkomen. Voorbeelden hiervan zijn mee bewegingen in het gezicht en van lichaamsdelen, verstoring van de adem, transpireren en spanning. Naast deze zichtbare en hoorbare symptomen zijn er ook verborgen symptomen. Vermijden van situaties, bepaalde woorden of klanken omzeilen, gebrek aan zelfvertrouwen en angst om te spreken zijn hier voorbeelden van. Stotteren kan de communicatie ernstig verstoren.

In grote lijnen zijn er vier fasen in de ontwikkeling van stotterverschijnselen te onderkennen, die als graadmeter voor de ernst van de stoornis kunnen dienen. In de eerste fase worden woorden, lettergrepen en klanken herhaald, meestal onder invloed van emotionele opwinding of gespannenheid. Er zijn ook perioden van vloeiend spreken. Veel kinderen herstellen zich vanuit deze eerste fase. Als er een tweede fase intreedt is dat in de regel op de schoolleeftijd. Het kind wordt zich bewust van moeilijkheden met spreken, gaat zichzelf als stotteraar zien en verwacht op bepaalde woorden te zullen stotteren. Later wordt hieruit de neiging geboren om woorden te vermijden en zinnen om te redigeren. In de derde fase staan de frustratie door de spreekmoeilijkheden en de vermijdingsneiging centraal. Het aantal situaties waarin wordt gestotterd heeft zich uitgebreid. In de vierde fase is er spreekangst en vormt het stotteren een sociale handicap.

De oorzaak van stotteren bij kinderen tussen de 2 en 7 jaar
Stotteren begint meestal bij kinderen tussen de 2 en 7 jaar. De neiging om over woorden te vallen, lettergrepen te herhalen of te hakkelen bij het spreken komt veel voor in die levensfase. Dit is de periode dat een kind veel te zeggen heeft, dit haastig zeggen wil en probeert langere en gecompliceerdere woorden te gebruiken. Als de gedachten sneller gaan dan de spraak, komt het kind in moeilijkheden en klinkt het of hij stottert. Dit is niet het echte stotteren maar slechts een tijdelijk minder vloeiend spreken. Gewoonlijk merkt het kind hier zelf niets van en gaat het na een tijdje vanzelf weer over. Het stotteren kan soms erger worden als het kind zenuwachtig of jaloers is.

Ook kan het zo zijn dat het kind aanleg heeft voor stotteren (bijvoorbeeld als stotteren in de familie voorkomt, of als het een duidelijke zwakke plek heeft voor timing en coördinatie van spraak). Als een kind aanleg heeft voor stotteren zal het kind waarschijnlijk een half jaar of langer, tussen zijn tweede en zevende jaar, praten met aarzelingen, herhalingen en onderbrekingen. Of het kind ook zal opgroeien tot een volwassen stotteraar hangt af van hoe het kind zelf met stotteren omgaat en hoe de omgeving hier op reageert. Een verhoogd risico op stotteren is ook gevonden bij aanleg voor atopische allergie (bijvoorbeeld CARA), bij epilepsie, bij stoornissen in de gevoelsontwikkeling en in de sociale aanpassing.

De noodzaak van vroegtijdige behandeling van stotterproblemen bij kinderen
De gevoelige periode om taal te leren ligt tussen de geboorte en het zevende levensjaar. Het is dus belangrijk om eventuele spraak- en taalstoornissen zo vroeg mogelijk te behandelen. Vroegtijdig ingrijpen is nodig om ervoor te zorgen dat er geen gevestigd oftewel chronisch stotteren ontstaat. Bij een grote groep kinderen gaat stotteren vanzelf over, maar bij sommige kinderen is behandeling door een logopedist of stottertherapeut nodig.

Wanneer een kind niet geholpen wordt met het stotterprobleem kan dit dus leiden tot chronisch stotteren. Op een bepaalde leeftijd zal het kind hier last van gaan ondervinden en ook de omgeving zal vaker negatief reageren op het stotteren. Het kind gaat woorden en situaties waarin gepraat wordt vermijden en kan spreekangst ontwikkelen. Het kind kan zich gaan afzonderen en houdt mensen op een afstand omdat het bang is te zullen stotteren. De reactie van ouders (bijvoorbeeld boosheid, streng, veel verbeteren) zorgen ervoor dat het kind aan zelfvertrouwen verliest en veel gaat twijfelen aan zichzelf. Het kind wordt erg onzeker. Spanning en emoties beïnvloeden het stotteren op hun beurt ook weer en zo komt het kind terecht in een vicieuze cirkel.

Chronische stotteraars hebben op hun latere leeftijd ook meer moeite om een baan te vinden dan niet-stotteraars en ook maken zij moeilijker contact met andere mensen.

Het effect van stotteren op het kind
Veel kinderen merken in het begin niet dat ze stotteren en ervaren dit ook niet als een probleem. Bij de meeste kinderen in de leeftijd van 2 tot 7 jaar verdwijnt het stotteren vanzelf weer als zij geen hinder ondervinden van andere mensen in de omgeving die letten op hun spraak. Hoe meer het kind gaat letten op zijn spraakgebrek, des te groter wordt het probleem. Wanneer een kind zich bewust wordt van zijn niet vloeiendheden zal het vaak proberen niet te stotteren. Bijvoorbeeld door meer kracht te zetten, het woord er uit te willen duwen, zodat er vechtgedrag ontstaat. Het spreken wordt dan meer gespannen en er kunnen ook blokkades of mee bewegingen ontstaan. Andere kinderen reageren door minder of niet meer te willen praten of andere woorden te kiezen; vermijdingsgedrag. Daarnaast zullen bezorgdheid en irritatie van de omgeving met betrekking tot het spreken, een kind het gevoel geven dat het iets fout doet en zo de spanning en dus de kans op stotteren vergroten. Het is belangrijk dat geen negatieve sfeer rond het stotteren ontstaat. Ouders willen hun kind graag goed laten praten en proberen het kind allerlei adviezen te geven en proberen het te verbeteren. Ook worden ouders vaak streng voor het kind als iets niet goed vloeiend wordt gezegd. Maar een jong kind heeft geen idee wat het dan anders moet doen en krijgt het gevoel dat het iets fout doet, wat de spanning weer kan verhogen. Een kind kan een gebrek aan zelfvertrouwen krijgen, waardoor het zich niet meer onder anderen wil begeven en ook andere kinderen op een afstand houdt.

Logopedische behandeling van kinderen met stotterproblemen
Bij veel kinderen in de leeftijd van twee tot zeven jaar verdwijnt het stotteren vanzelf. Gebeurt dit niet dan kan er gevestigd stotteren ontstaan. Om uit te vinden of een kind normale niet vloeiendheden vertoont of dat er een echt risico is op stotteren is de Screening Lijst Stotteren (SLS) ontwikkeld, ook wel interactieve stottertest genoemd.
Als de logopedist te maken heeft met een stotterend kind zal er onderzoek moeten worden gedaan. Er moet worden gekeken of er problemen zijn op het gebied van de spraakmotoriek, of er emotionele factoren, omgevingsfactoren of combinaties daarvan een rol spelen bij het stotteren. De logopedist moet nagaan hoe het stotteren zich heeft ontwikkeld en in welke fase het stotteren op dat moment is. Hier moet bij het behandelprogramma rekening mee worden gehouden.

Therapie voor jonge kinderen wordt meestal niet rechtstreeks uitgevoerd. Er wordt gewerkt met de ouders om het zelfvertrouwen van het kind te verbeteren, met de bedoeling dat het niet meer op haperingen zal reageren met negatieve gevoelens en vermijdingsreacties. Eerst worden spreekverschijnselen goed geobserveerd, en de ouders worden getraind in het waarnemen van het (spreek)gedrag van het kind, zonder er waardeoordeel aan te verbinden. Op grond van de observaties wordt een therapieplan opgesteld. Het kan soms voldoende zijn de ouders te informeren over de ontwikkeling van spreken en stotteren. Verder wordt overlegd hoe de ouders de eigen aard van het kind op het spoor kunnen komen, en hoe ze hem met bemoediging leiding kunnen geven. Wanneer het kind zich, ondanks dat het zich tekort voelt schieten, volledig geaccepteerd voelt zal het minder gespannen zijn en vloeiender spreken. Er wordt gewerkt aan dagelijkse leefregels en opvoedingsmaatregelen (meer rust en regelmaat, kalmer spreektempo, echt luisteren). Ergernis, medelijden en schaamte houden het stotteren in stand. De ouders kunnen leren realistische verwachtingen te koesteren en uitdagingen te stellen die het kind kans bieden op succes. Daarmee laat je het kind een belonende ervaring opdoen. Met bemoedigen helpt men het kind beter dan met 'pushen'.

Conclusie
Stotteren heeft een grote invloed op het dagelijks leven van mensen. Omdat stotteren vooral voorkomt bij kinderen van 2 tot 7 jaar is het belangrijk dat het kind hier zo snel mogelijk mee wordt geholpen. In deze gevoelige periode is het namelijk nog goed mogelijk om spraak- en taalstoornissen te behandelen en er vanaf te komen. Vroegtijdig ingrijpen kan chronisch stotteren voorkomen. De behandeling bestaat vooral uit het wegnemen van negatieve gevoelens rond het stotteren. De ouders zijn hierbij heel belangrijk. Een kind voelt zich namelijk onzeker en tekortschieten wanneer hij of zij stottert, en spanningen leiden op hun beurt weer tot stotteren waardoor het kind in een vicieuze cirkel terecht komt. Acceptatie van de omgeving en zelfvertrouwen zijn belangrijke stappen in het oplossen van het stotterprobleem.

Literatuurlijst

Ontwikkeling van 0 – 5 jaar vanuit logopedisch perspectief, Interne publicatie van de afdeling logopedie, Hogeschool van Utrecht, 1999

Welle Donker-Gimbrere, M., Slofstra-Bremer, C., Meulen, S.v.d., Denderen-Lubbers, M.v., Beek, B.v., Verschoor, A. (2000), Spraak- en taalproblemen bij kinderen, Van Gorcum, 120 – 135

Dungen, L.v.d., Verboog, M. (1998), Kinderen met taalontwikkelingsstoornissen, Bussum Coutinho, 103 – 105

Internet: www.stotteren.nl

Internet: www.nvlf.nl

donderdag, november 10, 2005

De stemwisseling (bij jongens) in de puberteit

De normale stemmutatie van jongens in de puberteit verloopt in 3 fases:
- Premutatie – rond de leeftijd van 12-13 jaar is er een opvallend verlies in de hoge tonen. De lage tonen worden onvast en er is ftijd een opvallende groei van de larynx.
- Mutatie – rond de leeftijd van 13-14 jaar daalt de spreekstem opvallend met ongeveer 8 halve tonen, van circa 268 Hz naar 173 Hz. Er is een grote schorheid met stembreuken tussen middenstem en lichte stem (vooral op onbeklemtoonde lettergrepen).
- Postmutatie – rond de leeftijd van 14-15 jaar bereikt de stem een grotere omvang met drie vormen van stemgeving (pulsatiestem, middenstem en lichte stem). De stem wordt in deze fase stabiel.

Soms kan het gebeuren dat de stemmutatie niet normaal of anders verloopt. De stem blijft in die gevallen (te) hoog of kinderlijk klinken. Er is verder niks mis met de larynx of met de stembanden. De mutatiestoornissen zijn ook geen stoornissen van hormonale oorsprong. De mutatie zelf is natuurlijk wel hormonaal bepaald, de stemstoornis is dat echter niet. Er zijn 3 vormen van mutatiestoornissen:
1. Onvolledie Mutatie
2. Mutatie Falsetstem
3. Verlengde Mutatie


Mutatio Incompleta (onvolledige mutatie)

Uit het Logopedisch Lexicon:
Het feit dat er ondanks het volledig uitgroeien van de larynx bij jongens in de puberale tijd, geen heldere, volle en krachtige stem tot ontwikkeling is gekomen en er dus geen stembreuk heeft plaatsgevonden.

- Stembreuk = hoorbare, natuurlijke, abrupte overgang tussen twee registers, bij een productie van een glijtoon van hoog naar laag.
------

Mutatio incompleta is een functionele/psychogene stemstoornis die alleen bij mannen voorkomt. Bij mutatio incompleta is er na de stemwisseling nooit een heldere, volle en krachtige stem tot ontwikkeling gekomen. De stem klinkt machteloos, ijl, monotoon, dof en arm. De ademhaling is vaak slap, star en vrij hoog. Er zijn weinig toonhoogteveranderingen mogelijk en ook de overgangen in de wijze van stemgeving blijven moeilijk. De normale borstklank ontbreekt. Vaak is er ook sprake van een slappe lichaamshouding. Het larynxbeeld is normaal.

Criteria bij het stellen van de diagnose
De stem mist de normale borstklank, is hees, ijl, te licht of te hoog en doet onvolwassen aan, maar is geen falsetstem. Men vind ook niet de registerbreuk die zo typisch is voor de mutatie falsetstem.

Factoren die van invloed zijn op het ontstaan van de stoornis
Er wordt vermoed dat de stem (van mensen met incomplete mutatie) zich gedurende en na de mutatie niet volledig heeft kunnen ontpoppen. Onder deze groep zijn veel mensen met keelklachten (slijm, keelpijn, kriebelhoest) en met recidiverende of chronische belemmering van de neuspassage. Ook hoor je deze stem wel eens bij mensen die astma of bronchitis hebben (gehad). Er is een verband tussen een ontspannen wijze van ademhalen en de goed ontspannen en beheerste stem. Ook habitueel mondademen kan leiden tot onvoldoende drainage van de neusbijholten, recidiverende verkoudheden met chronische sinusitis, pharyngitis en ontsteking van de lagere luchtwegen. Er is hier sprake van een vicieuze cirkel, waarbij de nerveuze ademhaling een rol speelt. De slechte stem is eigenlijk maar bijzaak. Veel mannen/jongens met incomplete mutatie hebben als jongetje in een koor gezongen en zijn hier gedurende de stemwisseling mee doorgegaan. Het kunstmatig moeten vasthouden aan een voor het orgaan niet meer natuurlijke toonhoogte brengt een verkeerde aanpassing met zich mee die later moeilijk meer ongedaan te maken is.

Therapie:
De therapie moet drastisch zijn, want meestal gaat het om verankerde therapieresistente gewoonten. Vaak lopen manen heel erg lang rond met dit probleem en vinden ze op latere leeftijd pas dat er echt iets aan gedaan moet worden. De therapie verloopt met intensieve cognitieve en emotionele herstructurering. De motivatie van de patiënt is heel erg belangrijk. Zonder de motivatie en de wil van de patiënt om zijn stem te veranderen, kan er eigenlijk niet veel aan de stoornis worden gedaan.

Prognose:
De prognose is matig aangezien de adem- en stembeheersing meestal een vast verankerde gewoonte is, die ook tot organische aanpassingen heeft geleid, die slechts op lange termijn door intensief en dagelijks te oefenen zullen wijken.


Mutatie-Falsetstem

Uit het Logopedisch Lexicon:
Vorm van een mutatiestoornis waarbij mannen een te hoge, habituele toonhoogte aanhouden na de mutatie, ondanks de volledig uitgegroeide larynx.
------

De mutatiefalsetstem is een van de meest opvallende stemstoornissen. Hoewel het relatief weinig voorkomt, is het hoge vrouwelijke stemgeluid bij een oudere jongen/man nogal opvallend en wordt niet over het hoofd gezien. Veel mensen weten niet dat de afwijking in de regel eenvoudig verholpen kan worden. Daardoor komen veel gevallen in een tamelijk laat stadium ter behandeling.

Er is een normaal uitgegroeide larynx. De stembanden zijn lang, door het gebruik van de hoge stem. De stem zelf is ijl, hoog (ieder ‘fundament’ van de borstklank ontbreekt). De stem heeft weinig draagkracht door het ontbreken van borstklank. De stemomvang beslaat het bovenste deel van de normale mannenschaal. Er ontbreekt een reeks tonen.

Factoren die van invloed zijn op het ontstaan van de stoornis
1. De normale instabiliteit van het stemorgaan in de periode gedurende en kort na de stemwisseling. Wanneer de larynx is uitgegroeid en de stemplooien hun volwassen omvang hebben gekregen, zijn er twee l verschillende trillingswijzen mogelijk geworden; het borstregister en het falsetregister. De adolescent heeft in het algemeen tijdelijk een tekort aan beheersing om beide registers te kunnen mengen. Mengen is dat je over een groot gedeelte van de toonschaal de klankkleur geleidelijk kan doen veranderen zonder dat er een plotselinge omslag van het ene in het andere register plaatsvindt.
2. Jongens met een mutatie falsetstem worden vaak omschreven als onhandig en harkerig. Dit zou kunnen duiden op een ‘klein gebrek/foutje’ in de neurofysiologische coördinatie van het hele bewegingsapparaat en dus ook van de adembeheersing en de stembandspanning.
3. Soms zijn de jongens (met mutatie falsetstem) juist schichtig, verlegen en weinig assertief in hun gedrag. Dit kan de keuze in de richting van een niet-mannelijk, meer kinderlijk stemgelui beïnvloeden. Maar omgekeerd kan ook; dat het hebben van een hoog stemgeluid lijdt tot schichtig, verlegen en weinig assertief gedrag.
4. De verhouding met de ouders en de plaats in het gezin (het milieu) zijn ook van belang. Heeft de patiënt op het ogenblik van de mutatie de mannenrol aangedurfd en paste die in het gegeven milieu.
5. Sommige jongens hebben een hele zware borststem en de mutatie is bij hen al op jonge leeftijd begonnen, in vergelijking met jongens uit de omgeving. Zo’n vroeg gemuteerde jongen kan met zijn falsetstem geprobeerd hebben zijn zware borststem te verbergen. Na een tijdje is dit een gewoonte geworden en is de lage stem vergeten en wordt niet meer gebruikt.

De falsetstem onderscheidt zich van de schelle jongensstem door zijn weke klankkarakter en geringe dynamiek.

Anamnese:
De anamnese geeft aan dat de stem vreemd geworden is in de puberteit. Soms wordt vermeld dat de stem wel ‘gebroken’ is, maar in hoogte is blijven hangen. Sommige patiënten weten wel dat ze ook een laag geluid kunnen voortbrengen, maar dit klinkt hen te zwaar en vreemd in de oren.

Therapie:
De therapie bestaat uit stemoefeningen , eventueel met manipulaties aan de tong en het strottenhoofd en met gebruik van apparatuur voor vibratiemassage. Het strottenhoofd bevindt zich hoog opgetrokken in de hals, in elkaar gedrukt. Bij geeuwen neemt het strottenhoofd een precies tegengestelde stand in; laag, ontspannen stembanden en een lage keelresolutie. Daarvan wordt in de behandeling gebruik gemaakt. De drukproef van Gutzmann wordt ook gebruikt. Fijner is als de patiënt zijn adamsappel zelf omlaag duwt, en zijn duim als waarschuwende herinnering bij de adamsappel houdt. Eerst wordt er steeds gegeeuwd met een wijde keel. Vanuit daar wordt er geprobeerd klanken als ‘uh’ te produceren met de ‘nieuwe’ stem. Wanneer de oude stemgewoonte weer opduikt, wordt er meteen een aantal stappen terug gegaan. Het aantal behandeling verschilt sterk en is afhankelijk van de persoon zelf en de motivatie. De normale borststem kan in een enkele behandeling bereikt worden, maar het kan ook zo zijn dat na 60 behandelingen nog steeds geen bevredigend resultaat is bereikt. Het milieu (omgeving van de patiënt) kan zich nog wel eens verzetten tegen de nieuwe, lagere stem van de patiënt en de generalisatie verhinderen. Belangrijk is dus om de omgeving aan de nieuwe stem te laten wennen.


Verlengde mutatie (mutatio prolongata / mutatio tarda)

Uit het Logopedisch Lexicon:
De mutatie houdt langer dan normaal aan (meer dan een jaar) en is in de meeste gevallen zuiver functioneel en berust derhalve niet op een endocrinologische stoornis.
------

De instabiliteit van de stem, het afwisselen van hoog naar laag, is kenmerkend voor de stemmutatie in de puberteit, maar dit komt niet bij alle jongens voor. De verandering van de stem kan ook heel geleidelijk verlopen en het baard-in-de-keel krijgen gebeurd dan (redelijk) ongemerkt. Bij jongens met een verlengde mutatie gebeurd het tegenovergestelde; het verschijnsel van de overslaande stem doet zich in hinderlijke mate voor en over een langere tijd dan normaal. Als er na een half jaar nog niks is veranderd in het afnemen van de instabiliteit van de stem, dan is de grens van het normale overschreden. In tegenstelling tot de mutatie-falsetstem is de stem niet constant hoog, maar afwisselend hoog en laag. Vaak overheerst de hoge stem en slaat de stem vaak op niet beklemtoonde lettergrepen in het lage register om. Veel patiënten omschrijven hun lage stem, k als schor en vreemd, terwijl de stem voor ons normaal klinkt. De patiënt heeft dus een erg negatief beeld van de ‘normale’ lagere stem.

De verlengde mutatie komt vaker psychogeen voor dan habitueel (als gewoonte). Deze mensen kunnen voortdurend kiezen tussen de hoge en lage stem, terwijl bij mutatie-falsetstem de gewoonte is ontstaan dat de lage stem onbekend en onbereikbaar is.

Therapie
De therapie verloopt zoals bij de mutatie-falsetstem. Het accent komt meer te liggen op de cognities en de emoties. De zelfverzekerdheid moet geoefend worden via assertiviteitstrainingen en het oefenen van communicatievaardigheden.


Literatuur:

Damsté, P.H. (1989). "Stemstoornissen". Uitgeverij: Bohn Stafleu Van Loghum.

Stes, R. (2000). "Stemstoornissen". Uitgeverij: Acco.

Bogaert, L.J.M. (2000). "Nederlands Logopedisch Lexicon". Uitgeverij: Stichting Logopedie Fonds.

Coëlho (2003). "Zakwoordenboek der Geneeskunde". Uitgeverij: Elsevier Gezondheidszorg.

dinsdag, oktober 25, 2005

Achter-het-oor toestel (AHO)

Slechthorendheid heeft een grote invloed op de dagelijkse communicatie. Veel mensen krijgen op latere leeftijd te maken met een verminderd gehoor. Er is meestal sprake van een verlies van de hogere tonen. Ouderdomsslechthorendheid of presbyacusis is een proces dat al op jonge leeftijd kan beginnen. In het gebeurt dit zonder dat het gemerkt wordt. Pas wanneer het toongebied dat belangrijk is voor het verstaan van spraak aangetast wordt, zal het gehoorverlies als hinderlijk worden ervaren. Dit gebeurt ongeveer rond het zeventigste levensjaar.

Een belangrijk hulpmiddel bij slechthorendheid is het hoortoestel. Een hoortoestel is een apparaat dat het geluid versterkt en tegelijkertijd het geluid ook aanpast aan het niet goed horende oor. Het is belangrijk te realiseren dat een beschadigd gehoororgaan niet meer kan worden hersteld. Slechthorendheid is er in allerlei variaties en daarom zijn er ook veel verschillende soorten hoortoestellen. Het meest gebruikte hoortoestel is het achter-het-oor toestel (AHO). Dit hoortoestel is vrij klein en wordt achter de oorschelp gedragen, zodat het niet opvalt. Omdat het achter-het-oor toestel het meest gebruikt wordt bij slechthorenden, zal ik me richten op dit toestel.

Bediening van het hoortoestel

Aanzetten
De meeste hoortoestellen hebben een schakelaar met de standen M - T – O.

M = Microfoon
T = Telecoil / ringleiding
O = Uit
Soms is er ook een gecombineerde stand MT. Voor normaal horen moet de schakelaar in de M-stand staan

Ringleiding
Voor gebruik van een ringleiding wordt de schakelaar in de T of MT-stand gezet. Dan wordt het signaal van een microfoon, radio etc. via een ringleiding draadloos doorgegeven aan de hoortoestellen die zich binnen de lus bevinden. Ringleiding is vaak aanwezig in bijvoorbeeld een schouwburg, een kerk of in een concertzaal, maar kan ook in een kamer worden aangelegd. Na gebruik van de ringleiding moet het hoortoestel wel weer op de M-stand worden gezet.

Volume
De meest hoortoestellen hebben als volumeregelaar een wieltje, met daarop de standen 1-2-3-4. Hiermee kunt u het volume van uw hoortoestel op de gewenste stand zetten. Wanneer u niet weet welke stand voor u goed is, zet u het toestel op stand 1 of 2 en stel het volume zonodig bij, totdat het geluid voor u hard genoeg is. Sommige toestellen hebben een automatische volumeregelaar.

Uitzetten
Het hoortoestel werkt op een batterijtje. Het is daarom belangrijk dat het toestel wordt uitgezet als het niet wordt gedragen. De meeste hoortoestellen hebben ook een 0-stand. Als u de schakelaar op 0 zet is het toestel uit. Wanneer uw hoortoestel geen 0-stand heeft kunt u het batterijvakje openzetten, dan gebruikt uw hoortoestel geen stroom.

Inzetten van het hoortoestel
In het begin is het inzetten van het oorstukje van uw hoortoestel misschien wat lastig. Maar na een aantal keer oefenen zal het u waarschijnlijk geen moeite meer kosten. De volgende aanwijzingen kunnen u helpen bij het inzetten van het hoortoestel.

1. U kunt bij het inzetten en uitnemen van het hoortoestel de volumeregelaar het beste in de laagste stand zetten, terwijl de schakelaar gewoon op M staat. Anders kan het toestel scherp fluiten in het oor. Sommige mensen vinden het prettiger het toestel fluitend in te zetten, omdat ze dan weten dat het toestel werkt. Vervolgens zet u het toestel in met het volume op de normale stand.

2. Pak het oorstukje bij het slangetje tussen duim en wijsvinger, zodat de punt naar het oor wijst.

3. Breng vervolgens het toestel naar uw oor en plaats de punt van het oorstukje in de gehoorgang. U kunt zonodig de oorschelp met de andere hand wat naar onder en boven bewegen. Dan het oorstukje zo naar achter draaien dat het aansluit op de vorm van het oor.

4. Til dan het hoortoestel over de oorschelp. Let erop dat het slangetje niet gedraaid zit, anders kan het geluid niet worden overgedragen aan het oor.

5. Controleer langs de rand van het oorstukje of dit overal goed zit. Het mag niet uitsteken of een kier open laten. Dan gaat het geluid ‘lekken’ en begint het toestel te fluiten.

6. Nu kan het volume ingesteld worden.

Uitnemen
Bij het uitnemen van het oorstukje zet u eerst het volume omlaag. Pakt u dan vervolgens, net als bij het inzetten, het slangetje dicht bij het oorstukje tussen duim en wijsvinger en trek het voorzichtig naar buiten.Wanneer dit moeilijk gaat kunt u met uw vinger achter de rand van het oorstukje in de schelp een opening maken, zodat er lucht achter het oorstukje komt. Het oorstukje kan namelijk wel eens vacuüm trekken.

Problemen die kunnen optreden
Soms piept of fluit het hoortoestel wanneer het in het oor zit. Dit betekent dat er ergens geluid weglekt dat eigenlijk in het oor moet komen. Controleer of het oorstukje goed aansluit en zet het zonodig opnieuw in. Als het oorstukje goed zit en blijft piepen, kan dit twee dingen beteken:
• Het oorstukje past niet goed meer. Dit kan na enkele jaren gebeuren. Voor dit probleem moet u naar de audicien.
• Er kan een lek zitten in het slangetje of bij de verbinding met het toestel. Vervang dan het slangetje. Deze moet ook vernieuwd worden als het hard wordt.
• De gehoorgang kan verstopt zijn door een prop oorsmeer. De huisarts kan deze verwijderen.

Schoonmaken van het hoortoestel
Het enige dat u regelmatig schoon moet maken is het oorstukje. Het oorstukje wordt altijd na enige tijd vies en het kanaaltje kan door oorsmeer of vocht verstopt raken. Voor dagelijks onderhoud is het meestal voldoende het oorstukje met een watje schoon te wrijven. Controleer altijd of de opening verstopt is met oorsmeer. Als dit het geval is moet het oorstukje worden gewassen. Het hoortoestel zelf mag niet nat worden. Daarom moet als eerst het oorstukje los worden gemaakt van het hoortoestel. Het slangetje kan losgemaakt worden bij het doorzichtige bochtje dat aan het hoortoestel vast zit.

Wassen
Het oorstukje kan gewassen worden, door het 15-20 minuten te weken in een lauw sopje. Er zijn bij de audicien ook speciale reinigingsmiddelen te koop. Als het oorstukje schoon is moet u het oorstukje goed naspoelen onder de kraan, het kanaaltje leeg blazen en afdrogen. Om achterblijvend vocht weg te blazen zijn er blaasbalgjes verkrijgbaar. Het oorstukje en slangetje moeten helemaal droog zijn voordat het weer wordt vastgemaakt aan het hoortoestel.

Let bij het vastmaken op dat het goede oorstukje aan de juiste kant en in de goede stand komt. De kromming volgt de kromming van het hoortoestel terwijl de punt naar de binnenkant is gericht. Het is het handigst om de oorstukje apart te wassen om dit probleem te voorkomen.

Controleren van het hoortoestel
Als het hoortoestel niet (goed) werkt, zijn er normaal gesproken twee mogelijkheden: de batterij is leeg of het oorstukje is verstopt. U kunt eenvoudig controleren of de batterij nog goed is en of het hoortoestel goed werkt. Zet het hoortoestel aan in de M-stand en de volumeregelaar op maximale sterkte. Als u nu uw hand eromheen houdt, begint het hoortoestel te piepen. Blijft dat piepsignaal op constante sterkte, dan werkt het toestel goed. Let hierbij op dat het toestel niet in de T-stand staat, dan piept het toestel namelijk niet.

Batterij vervangen
Kijk wanneer u de batterij voor het laatst heeft vervangen. Verwijder de oude batterij. Neem een nieuw batterijtje uit de verpakking, verwijder de sticker en plaats het in het batterijvakje. Sluit vervolgens het batterijvakje. Nu kunt u het toestel opnieuw controleren.

Oorstukje controleren
Het oorstukje is door middel van een plastic slangetje verbonden met het hoortoestel. Door het oorstukje loopt een kanaaltje om het geluid in het oor te leiden. Als het kanaaltje verstopt is kan het geluid er niet door en werkt het toestel niet. Haal het oorstukje met slangetje van het toestel af. Begint het toestel direct te piepen, dan weet u dat het oorstukje moet worden schoongemaakt. Maak het oorstukje schoon, blaas het droog en bevestig het weer goed aan het bochtje van het hoortoestel. Voor andere defecten kunt u het best de audicien raadplegen.



Voor meer informatie over het achter-het-oor toetsel of andere hoortoestellen kunt u terecht bij de audicien.

donderdag, oktober 06, 2005

Er is er een jarig....

Ik ben vandaag 19 geworden!

Propedeuse uitreiking

Afgelopen maandagmiddag van 16.00 tot 17.00 uur was de propedeuse uitreiking. Er werd eerst een korte toespraak gehouden en daarna moest iedereen een voor een naar voren komen om de propedeuse in ontvangst te nemen. We kregen ook nog een Logobello (soort Labello) en een twixje verpakt in een propje papier (weet niet meer precies waar dat voor stond). Daarna was er nog koffie, thee en cake voor de liefhebbers. Ik ben erg blij dat ik mijn propedeuse heb!

dinsdag, september 27, 2005

Meertaligheid bij kinderen

Tegenwoordig worden in Nederland steeds meer kinderen twee- of meertalig opgevoed. Kinderen tot ongeveer twaalf jaar zijn goed in staat om naast hun moedertaal nog één of meerdere talen te leren. Tweetaligheid kan voor kinderen een voordeel zijn, omdat zij al op jonge leeftijd heel bewust met taal en taalverschillen leren omgaan. (Welle Donker-Gimbrere e.a., 2000). Opgroeien met meer dan één taal is echter alleen een voordeel als de verschillende talen goed worden aangeboden en voldoende worden ondersteund. Twee- of meertaligheid kan een probleem worden als deze gunstige omstandigheden ontbreken. Veel kinderen krijgen dan te maken met spraak- en taalachterstanden. Het is belangrijk dat problemen in de spraak- en taalontwikkeling zo vroeg mogelijk worden aangepakt, zodat het kind niet te veel achterstand oploopt. Deze paper is bedoeld om logopediestudenten informatie te geven over twee- of meertaligheid bij kinderen in de leeftijd van 0 – 12 jaar, de invloed van meertaligheid op de spraak- en taalontwikkeling en hoe deze kinderen geholpen kunnen worden met achterstanden op het gebied van spraak en taal. Er wordt beschreven wat twee- of meertaligheid precies inhoudt, wat de invloed is van meertaligheid op de spraak- en taalontwikkeling, welke factoren invloed hebben op de spraak- en taalproblemen van meertalige kinderen en ten slotte hoe de logopedist meertalige kinderen met spraak- en taalachterstanden kan helpen.

Meertaligheid bij kinderen
Veel kinderen verwerven na of naast hun moedertaal nog één of meerdere talen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen simultane taalverwerving en successieve taalverwerving. Er is sprake van simultane taalverwerving wanneer twee of eventueel meer talen vanaf het begin worden aangeboden aan het kind. Successieve taalverwerving vindt plaats wanneer een tweede taal pas wordt aangeboden als de eerste taal al tot een redelijk niveau is verworven, ongeveer rond het derde jaar van het kind (Gillis & Schaerlaekens, 2000).

Voor het leren van een andere taal wordt meestal onderscheid gemaakt tussen de gevoelige periode en de kritische periode. De term gevoelige periode wordt gebruikt om aan te geven dat het tot een bepaalde leeftijdsgrens goed mogelijk is om twee of meer talen naast de moedertaal te leren. Dit zou samenhangen met een grotere flexibiliteit van de hersenen en het spraakorgaan voor de puberteit. Jonge kinderen beschikken over het unieke vermogen om spelenderwijs één, twee of meerdere talen te leren. Na de gevoelige periode komt de kritische periode. De kritische periode breekt aan rond de puberteit en vanaf dat moment is het nog steeds mogelijk een andere taal te leren, maar niet meer op het niveau van de moedertaal. Ook raken mensen die op latere leeftijd een andere taal leren vrijwel nooit hun buitenlandse accent kwijt (Gillis & Schaerlaekens, 2000).

Het effect van meertaligheid op de spraak- en taalontwikkeling
Het effect van tweetaligheid op de spraak- en taalontwikkeling van het kind heeft te maken met de omstandigheden waaronder de tweede taal geleerd wordt (Van den Dungen & Verboog, 1998). Meertaligheid kan negatieve effecten hebben als de moedertaal onvoldoende wordt ondersteund en er een tweede taal geforceerd wordt opgedrongen, met name in het onderwijs. Het gaat hier meestal om kinderen van minderheidsgroepen die een sociaal laag gewaardeerde taal spreken, bijvoorbeeld Marokkanen in Nederland. Er wordt dan gesproken van subtractieve tweetaligheid, die kan leiden tot dubbel semilingualisme, wat inhoudt dat het kind wel twee talen beheerst, maar beiden op een (te) laag niveau. Er is sprake van additieve tweetaligheid als de eerste taal voldoende wordt ondersteund en als er een tweede taal aan wordt toegevoegd. Deze vorm van tweetaligheid kan zelfs positieve effecten hebben, omdat meertalige kinderen zich eerder bewust zijn van taalverschijnselen, doordat zij al op jonge leeftijd bewust met taal en taalverschillen omgaan (Gillis & Schaerlaekens, 2000).

Achterstanden in de spraak en taal kunnen bij alle tweetalige kinderen optreden, maar komen vooral voor bij kinderen die de tweede taal opgedrongen krijgen en waarbij de moedertaal onvoldoende wordt ondersteund. Kinderen die opgroeien met twee of meer talen halen woorden uit de verschillende talen vaak door elkaar heen. Wanneer in het taalgebruik van meertalige kinderen een vorm van taalvermenging optreedt wordt dat interferentie of transfer genoemd. Transfer kan zich zowel in positieve als in negatieve vorm voordoen. We spreken van positieve transfer als de structuur in de eerste taal overeenkomt met die in de tweede taal, wat het leren van de tweede taal vergemakkelijkt. Dit is bijvoorbeeld het geval bij iemand die Duits als moedertaal heeft en Nederlands als tweede taal. De structuur van het Nederlands lijkt op de structuur van het Duits. Er is sprake van negatieve transfer als er een structureel verschil is tussen de eerste taalverwerving en de tweede taalverwerving. Er treedt dan interferentie op: de eerste taalverwerving dringt door in de tweede taal. Er ontstaan dus fouten doordat verschillen tussen talen worden gemixt. Een voorbeeld hierbij is iemand die Engels als moedertaal heeft en Nederlands als tweede taal. Engels en Nederlands verschillen van elkaar wat structuur betreft (Gillis & Schaerlaekens, 2000). Spraak- en taalproblemen zullen dus ook eerder voorkomen bij kinderen die een taal leren die erg verschilt van de moedertaal.

Uit verschillende onderzoeken is gebleken dat tweetalige kinderen voor elk van hun beide talen over het algemeen iets achter komen bij eentalige kinderen. Zo is gebleken dat tweetaligen voor elk van beide talen een geringere woordenschat hebben dan eentaligen in hun taal (Gillis & Schaerlaekens, 2000). Verder kan het meertalige kind moeite hebben met vervoegingen en verbuigingen, lidwoorden en de zinsbouw. Een meertalig kind kan ook problemen ondervinden met de articulatie. Vooral klanken en combinaties van klanken die in de eerste taal niet voorkomen zorgen voor moeilijkheden. Woordaccenten, zinsintonatie en de opeenvolging van klanken in een woord zijn ook knelpunten. Tweetalige kinderen vertalen vaak de klanken van de moedertaal, die het meest gesproken wordt, naar de andere taal. Hierdoor hebben zij een accent en worden er spellingsfouten gemaakt. Voor meertalige kinderen kan het ook moeilijk zijn om spraakklanken van de tweede taal met het gehoor te onderscheiden (Pronk-Boerma, 2003).

Voor kinderen die ouder zijn dan zeven jaar en het Nederlands als tweede taal leren, is het moeilijk de fonologische patronen van het Nederlands op te nemen. Hier is gerichte hulp van de logopedist bij nodig, omdat het kind anders teveel gaat achterlopen in de tweede taalontwikkeling en vaak heeft dit ook weer een negatieve invloed op de ontwikkeling van de moedertaal. Kinderen die ouder zijn dan twaalf jaar hebben nog meer moeilijkheden met het verwerven van een tweede taal. Zij raken zelden buitenlandse accent kwijt, ook al spreken ze verder (bijna) perfect Nederlands (Gillis & Schaerlaekens, 2000).

Factoren die van invloed zijn op de spraak- en taalproblemen bij meertalige kinderen
Het is voor meertalige kinderen belangrijk dat de tweede taal onder gunstige omstandigheden wordt aangeboden en dat de moedertaal voldoende wordt ondersteund. De meeste spraak- en taalproblemen komen voor bij kinderen die thuis één taal spreken en een tweede taal moeten leren in het land waar zij op dat moment wonen en naar school gaan. De tweede taal wordt deze kinderen min of meer opgedrongen. Bij de spraak- en taalproblemen van meertalige kinderen spelen allerlei factoren een rol en vaak hangen deze factoren ook onderling samen (Van den Dungen & Verboog, 1998). Het is voor de logopedist belangrijk om rekening te houden met deze factoren bij de eventuele behandeling van de taal- en spraakproblemen die deze kinderen hebben.

Er zijn psychologische factoren, die te maken hebben met of iemand veel en makkelijk contact maakt, of iemand gemotiveerd is om de taal te leren en of hij wel of niet bang is om fouten te maken. Bij sommige kinderen leidt de angst om fouten te maken tot niet meer (willen) praten. Het kind spreekt dan op school geen woord meer.

De aard en de hoeveelheid taalaanbod speelt een grote rol. Het contact met de taalomgeving bepaalt het taalaanbod dat het kind krijgt. Om geen achterstanden in de spraak en taal op te lopen is het belangrijk dat het kind met beide talen voldoende in aanraking komt. School kan hierbij helpen, omdat kinderen hier een groot deel van de dag doorbrengen, en zij krijgen onderwijs in en over de tweede taal (Gillis & Schaerlaekens, 2000). Wanneer de tweede taal alleen schooltaal is, hangt de hoeveelheid aan interacties af van de mate waarin het kind zich thuis voelt op school, en van de manier waarop de school communicatiebevorderend werkt. De aard van het taalaanbod; de woordenschat zal dan beperkt zijn tot de woorden die op school voorkomen (Van den Dungen & Verboog, 1998). Ook het karakter van het taalaanbod is van belang. Vaak is het namelijk zo dat moedertaalsprekers hun taal aanpassen wanneer zij tegenover tweedetaalgebruikers hun taal gebruiken. Er wordt vaak minder snel gesproken, er worden simpele woorden gebruikt en kortere zinnen gemaakt. Op deze manier komt het kind niet met voldoende taal in aanraking. De aard en de hoeveelheid taalaanbod hangt ook sterk af van de ouders. Wanneer ouders laag opgeleid zijn is er vaak minder taalaanbod en minder stimulering om beide talen te spreken, waardoor spraak- en taalachterstanden kunnen optreden (Gillis & Schaerlaekens, 2000).

De moedertaal is ook een belangrijke factor. Wanneer de eerste en de tweede taal erg op elkaar lijken, gaat het leren van de tweede taal sneller dan wanneer dit niet het geval is. Wel zal het kind de twee verschillende talen met elkaar gaan verwisselen. Verder is gebleken dat wanneer de moedertaal van de kinderen geen hoog aanzien heeft binnen de cultuur waar zij leven, zij er snel toe overgaan ook thuis de tweede taal te spreken, waardoor de eerste taal zich niet meer ontwikkelt. Hierdoor kan de ontwikkeling van de tweede taal te lijden hebben (Van den Dungen & Verboog, 1998).

Vooral de sociale factoren hebben een grote invloed. De eerste en tweede taal brengen twee culturen met daarbij behorende normen en waarden met zich mee, en hierdoor kan het meertalige kind in de war raken. Wanneer een minderheid een ondergeschikte positie inneemt in de maatschappij en binnen die maatschappij gediscrimineerd wordt, zullen de kinderen ook meer problemen hebben op school, omdat hun eigen taal en cultuur binnen die school geen rol speelt. Ook het vasthouden van de eigen normen en waarden en de plannen voor de toekomst (met name de plannen om terug te gaan naar het eigen land) zijn belangrijk voor de motivatie van het leren van de tweede taal (Van den Dungen & Verboog, 1998). Het is belangrijk dat het kind door zijn omgeving voldoende wordt gestimuleerd om beide talen te spreken.

Ten slotte spelen ook de cognitieve factoren nog een rol. Hierbij is de leeftijd van belang. Over het algemeen genomen leren volwassenen sneller dan kinderen, maar in de loop van de tijd halen kinderen de achterstand in en spreken de tweede taal uiteindelijk vaak foutloos. Hoe jonger een kind begint met het leren van een tweede taal, des te groter is de kans dat het kind het niveau van een moedertaalspreker haalt. (Gillis & Schaerlaekens, 2000). De cognitie speelt bij het leren van een tweede taal een belangrijke rol. Voor kinderen met een cognitieve achterstand is het bijna onmogelijk een tweede taal foutloos te leren spreken. Ook heeft het ene kind meer taalgevoel dan het andere kind, waardoor ‘verbaal begaafde’ kinderen makkelijker een tweede taal kunnen leren dan kinderen die minder gevoel voor taal hebben (Van den Dungen & Verboog, 1998).

Logopedische behandeling bij spraak- en taalachterstanden van meertalige kinderen
Het is belangrijk dat er goed wordt gekeken naar de problemen die meertalige kinderen hebben op het gebied van spraak en taal. Niet altijd hebben achterstanden in de spraak en taal te maken met meertaligheid. Ook meertalige kinderen zijn soms slechthorend, dyspractisch of hebben een meervoudige handicap. Omdat de oorzaak van afwijkingen en achterstanden vaak worden gezocht achter meertaligheid, wordt er te lang gewacht met de behandeling van deze problemen. Het is juist erg belangrijk dat er bij ontwikkelingsproblemen van kinderen zo vroeg mogelijk hulp wordt geboden, zodat de spraak- en taalachterstand niet nog groter wordt. Soms is het voor kinderen met ontwikkelingsachterstanden beter om het taalaanbod te vereenvoudigen tot één taal (Welle Donker-Gimbrere e.a, 2000).

Logopedie is erg belangrijk in de bestrijding van spraak- en taalachterstanden die ontstaan zijn door meertaligheid. Achterstanden op het gebied van spraak en taal leiden namelijk vaak tot leerproblemen op school. Tevens draagt het verhelpen van achterstanden bij aan zowel de sociaal-emotionele ontwikkeling als de cognitieve ontwikkeling van het kind. Wanneer een kind bijvoorbeeld moeilijk verstaanbaar is voor anderen kan het een angst ontwikkelen om te spreken of gaat het kind zich afzonderen.

De logopedist heeft twee taken met betrekking tot meertaligheid bij kinderen. Ten eerste zijn er preventieve taken. Deze taken richten zich enerzijds op het kind, anderzijds op beïnvloeding van de omgeving van het kind door middel van voorlichting. Het is hierbij belangrijk dat meertalige kinderen worden gescreend om problemen vroegtijdig op te sporen. Ten tweede moet de logopedist spraak- en taalachterstanden in een zo vroeg mogelijk stadium aanpakken. Hierbij werkt de logopedist direct met het meertalige kind en zijn ouders. Het taalaanbod moet worden verbeterd voor wat betreft kwantiteit en kwaliteit en er moet worden gewerkt aan de ontwikkeling van het kind. De begeleiding van meertalige kinderen richt zich op communicatieproblemen en verstaanbaarheid in het Nederlands en de moedertaal. Voor dit laatste is samenwerking met de omgeving vereist. De hulp van een tolk wordt ingeroepen als dit nodig is om goed te communiceren met de omgeving van het meertalige kind (www.nvlf.nl).

Conclusie
Jonge kinderen zijn goed in staat om naast hun moedertaal, met nog één of meerdere talen op te groeien. Voor kinderen vanaf twaalf jaar is het nog steeds mogelijk een tweede of derde taal te leren, maar niet meer tot op het niveau van de moedertaal. Ook raken zij zelden nog hun buitenlandse accent kwijt. Meertaligheid kan een voordeel voor jonge kinderen zijn, maar er treden ook vaak problemen op in de spraak- en taalontwikkeling. Opgroeien met meer dan één taal is alleen een voordeel als de omstandigheden gunstig zijn. Meertaligheid kan negatieve effecten hebben als de moedertaal onvoldoende wordt ondersteund en er een tweede taal geforceerd wordt opgedrongen. Wanneer er een stoornis of achterstand is in de eerste taal, zal ook de tweede taalontwikkeling verstoord verlopen. Het is belangrijk dat een kind voldoende taalaanbod krijgt en gestimuleerd wordt om beide talen te blijven spreken. Verder spelen sociale, cognitieve en psychologische factoren een belangrijke rol, bij het dan wel of niet ontwikkelen van spraak- en taalachterstanden. De meeste problemen ontstaan in de fonologische ontwikkeling, de morfologische ontwikkeling, de zinsbouw, de pragmatiek en de woordenschat. Het is belangrijk dat meertalige kinderen met een spraak- en taalachterstand worden geholpen door de logopedist, omdat het kind anders te veel gaat achterlopen. Tevens heeft een spraak- en taalachterstand een negatief effect op de sociale en cognitieve ontwikkeling. De begeleiding van meertalige kinderen richt zich vooral op communicatieproblemen en verstaanbaarheid in het Nederlands en de moedertaal. Het is belangrijk dat de logopedist hier zowel met het kind als met de ouders werkt. Als een kind op tijd wordt geholpen, heeft het een grote kans de spraak- en taalachterstand in te halen en beide talen op een goed niveau te spreken.

Literatuur

Dungen, L. van den & Verboog, M. (1998). Kinderen met taalontwikkelingsstoornissen. Bussum: Uitgeverij Coutinho.

Gillis, S., Scaerlaekens, A. (2000). Kindertaalverwerving. Een handboek voor het Nederlands. Groningen: Martinus Nijhoff.

Pronk-Boerma, M. (2003). Logopedie voor onderwijsgevenden. Soest: Nelissen.

Welle Donker-Gimbrere, M., Slofstra-Bremer, C., Meulen, S.v.d., Denderen-Lubbers, M.v., Beek, B.v., Verschoor, A. (2000). Spraak- en taalproblemen bij kinderen. Assen: Van Gorcum.

Internet: http://www.nvlf.nl

dinsdag, augustus 16, 2005

HVU wordt HU

Sinds donderdag 1 september 2005 heet de Hogeschool van Utrecht voortaan Hogeschool Utrecht. De Hogeschool heeft daarbij ook een compleet nieuwe huisstijl gekregen. De HU wil met de ondergane metarmofose kwaliteit en professionaliteit uitstralen. Alle hogescholen lijken op elkaar. De HvU is bepaald niet exclusief. De HU kan zich alleen onderscheiden door sterke profilering op 3 thema’s: kennis, samenwerking en de stad Utrecht. Deze thema’s zullen centraal komen te staan. Het uitgangspunt is: de HU laat kennis werken. Geen zin die in de campagne wordt gebruikt, maar het is wel de onderliggende boodschap in communicatie naar de doelgroepen.

donderdag, augustus 04, 2005

Duim-, vinger-, en speenzuigen

Veel kinderen zuigen overdag en 's nachts graag op hun speen, duim of vingers. Deze behoefte komt voort uit de zuigbehoefte in het eerste levensjaar. Het zuigen op duim, vinger(s) of speen is heel normaal bij baby's en peuters. In deze periode is de zuigbehoefte nog erg groot. Na de peuterleeftijd neemt bij de meeste kinderen die behoefte geleidelijk af. Bij sommige kinderen kan het duim- en/of vingerzuigen zich ontwikkelen tot een (hardnekkige) gewoonte. Duim-, vinger-, of speenzuigen maakt een kind rustiger en geeft een gevoel van veiligheid, vertrouwdheid en geborgenheid. Toch is het is belangrijk om het duimen vroeg af te leren om negatieve gevolgen te voorkomen.

Mogelijke gevolgen

Afwijkende tand- of kaakstand
Bij zuigen drukt de duim (speen of vinger) de boventanden naar voren. Hierdoor kan een gebitsverandering ontstaan, zoals een "open beet" of een "overbeet". Daarnaast kan het gehemelte door het zuiggedrag omhoog gedrukt worden waardoor er een hoog (of gothisch) gehemelte ontstaat. Hierdoor kan het kind een smalle
bovenkaak ontwikkelen en/of
een scheef neustussenschot.

Kans op mondademen, verkoudheden en oorproblemen
Duim (vinger of speen) zuigen maakt het sluiten van de lippen onmogelijk. Wanneer de duim uit de mond gaat, bijvoorbeeld in de slaap, blijft de mond vaak een beetje open staan. Lipspieren verslappen en ademen door de mond kan een gewoonte worden. De lucht wordt dan niet gezuiverd en verwarmd door de neus. Dit vergroot de kans op verkoudheden en oorproblemen. Bij mondademen wordt minder vaak geslikt, waardoor het binnenoor minder wordt belucht, en er dus een grotere kans op oorproblemen ontstaat.

Verkeerde uitspraak van /l/, /n/, /d/, /t/, /s/, /z/
Als een kind duimt (vinger of speenzuigt), ligt de tong onder in de mond en te ver naar voren. Dit kan een verkeerde uitspraak van met name de /s/ en de /z/ tot gevolg hebben, maar ook de uitspraak van de /l/, /n/, /d/ en /t/ kunnen worden beinvloedt. Deze klanken worden dan met de tong tegen of tussen de tanden gesproken. Dit wordt ook wel slissen of lispelen genoemd.

Afwijkend slikken en kauwen
Als een kind duimt (vinger of speenzuigt) ligt de tong onder in de mond tegen of tussen de tanden. Wanneer ook bij het slikken de tong tegen of tussen de voortanden gedrukt wordt, is er sprake van verkeerd slikgedrag. Het kind kan door een verkeerde manier van slikken ook problemen hebben met het slikken en kauwen van voedsel. Het kind kauwt dan vaak met een open mond of maakt smakkende geluiden.

Concentratie
Het zuigen maakt vaak zo rustig dat het kind geen aandacht en concentratie meer heeft voor andere dingen, bijvoorbeeld opdrachten op school. Het kind is dromerig en niet voldoende aandachtig.

Afleren van duim-, vinger-, en speenzuigen
Start met het afleren van duim-, vinger-, en speenzuigen als het kind:
- ouder is dan 3 jaar.
- gebitsverandering heeft ten gevolge van het zuigen
- vaker wel dan niet een duim/vinger/speen in de mond heeft.
- vaak de mond open heeft .
- regelmatig verkouden is.
- de tong tegen of tussen de tanden doorkomt tijdens het spreken (slissen).

Om het duimen, vinger- of speenzuigen te stoppen moet het kind zelf gemotiveerd zijn te stoppen. Ook is het het beste om een rustige periode te kiezen. In een drukke periode of een periode dat het kind gespannen is, zal het afleren van het duimen, vingerzuiegn of de speen extra moeilijk zijn.

- De eerste stap in het afleren van het duimen, vinger- en speenzuigen is het in kaart brengen van de momenten waarop het kind duim-, vinger-, en speenzuigt en met het kind bespreken waarom het moet worden afgeleerd.
- Bedenk samen met het kind een gebaar of woord dat verder niemand kent. Als het kind duimt, vinger- of speenzuigt maakt u het gebaar en het kind weet waar het om gaat.
- In een keer stoppen met duimen lukt meestal niet. Kies daarom samen met het kind een situatie uit waarin niet meer wordt geduimd, bijv. tijdens het tv-kijken of tijdens het spelen van een spelletje. Vervolgens kunt u de momenten waarop het kind niet meer duimt, vinger- of speenzuigt uitbreiden.
- Het is heel belangrijk om het kind steeds weer te belonen als het niet heeft geduimd, vinger- of speengezogen. Beloningen zijn bijvoorbeeld een stukje fruit, een sticker of samen een spelletje doen. Straffen kunt u beter niet doen, omdat het kind daardoor gespannen kan raken, waardoor het afleren van de zuiggewoonte moeilijker wordt.
- Duimzuigen gebeurt vaak op momenten dat het kind zich verveelt, onzeker of moe is. Probeer het kind op dat moment af te leiden, door bijvoorbeeld samen een spelletje te doen of te zingen.
Hang of plak geheugensteuntjes (stickers, tekeningen o.i.d.) op plaatsen in huis waar het kind vaak komt. Deze herinneren het kind eraan dat het niet mag duimen.
- Stimuleer ook het inslapen zonder duim. Maak samen met het kind een vingerpopje van stof. Als het kind dit bij het inslapen draagt, kan het niet duimen. Ook een pleister om de vinger is een mogelijkheid. Als dit niet lukt kunt u ook de duim, vinger of speen uit de mond van uw kind halen als het slaapt en de lippen zacht dichtdrukken en/of de kin iets omhoog duwen.